Portraits at Work

 A selection of portrait photography showcasing people in their professional reality. This series will be published in a book, including interviews.

 

Leon Klaasse — superdrummer

 

Hoe oud was je toen je begon met drummen (of slagwerk, zoals ik het graag noem)?

Ik was er volgens mij behoorlijk vroeg bij. Ik heb twee oudere broers, die ook muziek maakten, en dat gebeurde bij ons thuis in Castricum echt tussen de schuifdeuren. Mijn ouders waren dan gewoon thuis, en dan repeteerden zij met hun bandje Cripple Joe in de achterkamer. Schuifdeuren dicht. Er stond een drumstel in de achterkamer, een gitaarversterker ernaast. En mijn ouders probeerden ondertussen naar het nieuws te kijken. Ik was toen een jaar of vier, vijf, zes. En ik vond dat te gek.

 

Drummen was iets wat ik op die leeftijd al heel snel begreep. Ik nam het in me op en begreep onmiddellijk wat er gespeeld werd. Ik kon bij wijze van spreken eerder een ritme slaan dan normale zinnen zeggen. Voor mijn vierde of vijfde verjaardag kreeg ik een bongootje en vanaf toen ging alles vanzelf. Als de jongens klaar waren met repeteren, ging ik ook wel vaker achter hun drumstel zitten.

 

De zanger van die band was Theo van den Boogaard, en inmiddels is hij al heel lang bekend als striptekenaar, onder andere van de Sjef van Oekel-reeks. Hij kon in dat bandje niet eens zo heel goed zingen, maar wel heel goed vertolken. De drummer was ook iemand uit het dorp.

 

Ik luisterde ondertussen ook naar de muziekkeuze van mijn broers, en daar kwamen – zeker voor die tijd – best vreemde dingen voorbij, die mijn interesse gewekt hadden. En dat is ook gelijk de link met Robert Jan Stips. Want Robert Jan heeft ook een soort openbaring gehad met dezelfde band als ik dat had: Soft Machine. Mijn broers draaiden eind jaren zestig, begin jaren zeventig heel vaak die eerste twee elpees. Maar ik draaide ze nog vaker! Ik was helemaal gebiologeerd door die drummer, Robert Wyatt. Hij zong natuurlijk ook fantastisch, dat kon ik dan niet. Ik heb wel een vrij groot bereik, maar met het klimmen van de leeftijd worden ook de stembanden wat minder en ik kan niet meer zo hoog als voorheen. Maar het lukt nog best, hoog zingen. Met een kopstem dan.

 

Nog even over Robert Wyatt: ik luisterde vooral naar die tweede plaat, Volume 2. Die vind ik beter, maar hij is wel minder toegankelijk. Daar stonden drumpartijen op die ik onmiddellijk begreep. Ik voelde hoe dat gespeeld zou moeten worden. Hij drumde zo muzikaal, heel melodieus. Op die plaat staan toevallig heel veel 7/8 maatsoorten. Snap je de link waarom het spelen in Supersister mij zo goed past? De muziek van Robert Jan ligt mij heel goed. Die maatsoorten. Ik ga helemaal terug naar mijn roots.

 

Die drummer van mijn broers bandje, Cripple Joe, stopte even voor een pauze, en dan ging ik erachter zitten en dan lekker roffelen, die drumsolo van ‘10:30 Returns to the Bedroom’. Iemand vroeg mij laatst: wie was nou jouw muzikale voorbeeld? Toen kwam ik daarmee, en zei ik: ‘Ik zal het wel even draaien.’ En ik ga meespelen en het zit er gewoon nog in, alsof het gisteren was. Als je me nou vraagt wat ik gisteren gegeten heb, dan…

 

Door welke slagwerker was je geïnspireerd?

Ik was vier of vijf jaar en toen had je die grote tonnen Dash waspoeder, en daar zat ook weleens een singletje bij, zo’n flexidisc. Volgens mij was dat een Afrikaans-achtig nummer, en dat kon ik na één keer gehoord te hebben al meteen meespelen. Misschien is dat wel het echte begin geweest qua inspiratie. Dat moet in 1964 zijn geweest. En ook The Beatles kwamen natuurlijk voorbij. Bij The Beatles, bijvoorbeeld, was ik niet zozeer gebiologeerd door de drums als wel door de harmonieën. Ik was toen nog niet zo’n fan van Ringo, in de zin van: ‘Goh, dat moet ik ook eens proberen.’

 

Zo rond 1969, 1970, hadden mijn broers ook platen van Frank Zappa. Ook weer een link met Robert Jan! Elpees als Hot Rats en Uncle Meat — dat waren muziekcollages. En ik raakte geïnspireerd door de vervreemding op die platen, en wat de drummers daar allemaal lieten horen. En daarna kwam de klapper wat mij betreft: Roxy & Elsewhere, met George Duke op toetsen, Napoleon Murphy Brock op zang, én twee drummers! Te weten Ralph Humphrey en natuurlijk Chester Thompson. Die plaat ging ik ook van begin tot eind meespelen. Vooral de sound van twee drummers sprak me aan. Heel rijk van klank, creatief. En retestrak. Ook Billy Cobham van Mahavishnu Orchestra is van zeer grote invloed op mij geweest. Ook bij hem hoorde ik af en toe vreemde maatsoorten voorbijkomen. 7/8 bijvoorbeeld. Maar op zo’n soepele manier gespeeld. Hij drumt nog steeds, en hij is in very good shape.

 

Wat is dat met die 7/8? Waarom is die maatsoort zo bijzonder?

Kijk, een 7/8 wordt meestal verdeeld in vier en drie tellen. Of drie en vier. Je laat een tel weg in een vierkwartsmaat, zo moet je het zien. Voor mij is een 3/4, of een 6/8 of een 12/8 een van de meest inspirerende maatsoorten. Ik ga nou niet vervallen in pure drumpraat, maar als je dit doet [drumt op tafel en telt mee: 1-2-3, 1-2-3, 1-2-3], dat is gewoon een 6/8. Maar je kan ook dit doen [drumt op tafel en telt mee, maar struikelt over de cijfers]: ik kan niet zo snel tellen, maar dat zijn er dan twaalf. En je kan er allemaal verschillende dingen in toepassen, daarom is het zo’n rijke maatsoort. Een 7/8 zit tussen die meest inspirerende en normale vierkwartsmaat en de meest inspirerende 6/8 maat in. Luister maar naar ‘I Am You Are Me’: 1-2-3-4, 1-2-3. Zo drum ik dat nummer en dat klinkt dan heel soepeltjes.

 

Als we het nog even over drummers kunnen hebben die mij hebben geïnspireerd: je had die jazzrockdrummers, maar je had ook liedjesdrummers zoals Ringo Starr, maar de grootste aller tijden is wat mij betreft Steve Gadd. Hij werd in de jaren zeventig bekend met zijn werk voor Al Jarreau, Paul Simon — ‘Fifty Ways to Leave Your Lover’, maar ook The Bee Gees. Hij kon een liedje drummen zoals niemand anders dat kan. Helemaal straight, zonder poespas. Af en toe een opvallend mooi roffeltje dat helemaal raak is. Dat precies ook bij die song past. FE-NO-ME-NAAL. In hoofdletters, echt. Als je zijn solo’s hoort, zeker in die jaren, toen hij nog in topvorm was, dat is echt van een andere planeet.

 

Hij heeft ook met Steely Dan gewerkt. In ‘Aja’ zit een drumbreak van 16 maten. Terwijl hij het hele nummer strak en dienstbaar speelt, een beetje vloeiend, een bekkentje hier, een bekkentje daar, ritmisch, en dan ineens komt dat eindstuk. Dat is fenomenaal.

 

Wie is tegenwoordig in de huidige scene een drummer die jij bewondert?

Dat zijn er te veel om op te noemen, maar ik weet dat er drummers zijn die… Er is nog niet zo heel lang geleden een nieuwe drumstijl ontwikkeld, en ik heb helaas niet meer de souplesse en snelheid van vroeger om daar ook zo goed in te worden. Een van hen is Aaron Spears, een Amerikaanse drummer. Hij is inmiddels al overleden, veel te jong. Sommige drummers drummen de bassdrum en de hi-hat tegelijk, maar hij kon alles na elkaar spelen. Dat zijn dan vier ledematen die dan na elkaar iets spelen. Dat heeft hij gecultiveerd en dat resulteerde in een paar belachelijk goeie drumplaten.

 

Een andere drummer die mij heel erg inspireert, ook omdat hij in melodieus opzicht zo te gek is, is Louis Cole. Hij heeft projecten met het Metropole Orkest gedaan, hij zingt heel hoog en drumt echt verschrikkelijk goed. Dan heb je nog Nate Smith, dat is een supergroover met een fabelachtige techniek. Nederlandse drummers? Jamie Peet, een jazzdrummer die jong en upcoming is, en die laat ook echt dingen zien die uniek zijn. Heel vrij. Van Niek de Bruijn ben ik fan. Vreselijk goed. Funky. Hij speelt zich de afgelopen jaren he-le-maal suf met te gekke dingen. Zo heb je er nog wel een paar. Kick Woudstra bijvoorbeeld. Pff, het is lullig om namen te noemen, vooral om namen niet te noemen.

 

Wat was je eerste bandje?

Mijn eerste bandje was, in 1974 denk ik. Samen met Peter van Straten, de bassist, later van Powerplay, kwamen wij eens in de week in een jongerencentrum, De Bakkerij in Castricum. Daar vonden wekelijkse sessies plaats. Ik was toen veertien, vijftien jaar en daar speelden de grote jongens van het dorp. Ik mocht meedoen op mijn bongootjes. Dan ging ik aan de kant zitten, ik had haar tot hier [wijst naar zijn schouders], ik blowde me helemaal suf, dus ik was lekker spacey en dan ging ik lekker met stokken op die bongo’s rammen. Dat was lachwekkend, maar mensen dachten ook: wie is die hippie daar?

 

Er was een zomer dat ik een drumstel mocht kopen van mijn ouders. Een drummer in de buurt deed zijn drumstel weg, en toen heb ik voor vierhonderd gulden, geloof ik, dat drumstel gekocht. Dat stond bij mij boven, en dat was toevallig in de zomerperiode, in de schoolvakantie, en toen heb ik me drie maanden lang afgezonderd. Mijn vader ging de deur uit, naar zijn werk, en dan ging ik naar boven en dat ging urenlang zo door. Mijn moeder moet op het laatst gek geworden zijn. Ik denk de buren ook wel, maar het ging wel heel erg voortvarend.

 

Op een gegeven moment kwam ik weer op een van die sessies, en ik was ineens niet meer die gekke hippie, maar: ‘Hé Leon, wil je ook met mij een setje doen?’ De grote jongens. En met Peter idem dito. Hij was ook zo’n jongen, zo’n ongelofelijk bastalent. We gingen samen die sessies bijwonen en dat is heel lang zo gebleven. Tot eind jaren tachtig denk ik, hebben wij samengewerkt.

 

Was dat Powerplay?

Nee, mijn eerste band was toen dat bandje. In De Bakkerij werd een soort house band gevormd, en daar speelde ik ook in. Op een gegeven moment begeleidden wij een hele hoop muzikanten, wel vijftien of twintig muzikanten. Een heel creatieve pool. Peter en ik kregen toen de kans om… Ik weet niet meer hoe het tot stand kwam, maar waarschijnlijk was het een gitarist uit Amsterdam die op die sessies afkwam, en die vroeg of wij in zijn band wilden spelen. We konden in een nachtclub spelen, en we hebben dat als zeventienjarigen gedaan. Valley of the Dolls heette die band, naar het boek. Twee, drie keer in de week speelden we in die nachtclub, de Citadel.

 

Toen ik achttien was, gingen we verhuizen naar de grote stad, en toen ging het ineens sky high. Maar Valley of the Dolls was mijn eerste echte band. Het heeft ongeveer twee jaar bestaan, in die periode speelden wij door heel het land en kwamen we in het voorprogramma van Massada. Die hadden toen een vette hit. Hun percussionist, Nippy Noya, kwam ook altijd in die nachtclub. Na de optredens met Massada ging hij met ons mee jammen. Die club broeide!

 

Peter kreeg een aanbieding om bij Vitesse te gaan spelen, en ik werd gevraagd door Bertus Borgers voor Sweet d’Buster, waar Robert Jan net uit was. Hij was al een jaar weg en ging Transister beginnen. In zijn plaats kwam Jons Pistoor. Pierre van der Linden was de drummer. In Amerika namen ze een plaat op, Shot into the Blue, maar zij waren niet tevreden over Pierre van der Lindens aanpak van die songs. Het zwalkte aan alle kanten, en het paste eigenlijk ook niet zo goed bij die muziek. Toen hebben ze mij gevraagd om een paar nummers over de 24-sporen heen te drummen. Dat heb ik gedaan, en er staan twee nummers op een nieuwe editie van die elpee waarop ik drum. Daarna kwam de belasting om de hoek, en toen was de band failliet.

 

Peter en Jan van der Meij, die in Vitesse speelden, zaten een beetje te worstelen met de kleine dictator Herman van Boeijen. Aan de nummers van Jan werd nauwelijks aandacht besteed, en uiteindelijk zijn Peter, Jan en ik Powerplay begonnen. Met gelijk een hele rits nummer van Jan van der Meij, gelijk in het voorprogramma van Golden Earring — we bestonden net twee weken!

 

Voordat we Powerplay oprichtten, hebben Peter en ik bij George Kooymans een aantal demo’s van hem ingespeeld. Een van die demo’s was ‘Twilight Zone’. Daar spelen Peter en ik op mee. Op de demoversie. George wilde dat geloof ik niet eens voor de Earring gebruiken.

 

Wat is volgens jouw ervaring hét grote verschil tussen de Nederlandse rockscene in de jaren 70 en 80 vergeleken met die van nu?

Ik denk dat de mogelijkheid om te spelen het grootste verschil is. In de jaren 70 en 80 kon je overal spelen, er waren tien keer zoveel podia in een dorp of een stad, en het publiek was ook heel welwillend. In de zin van dat ze er ook massaal op afkwamen.

 

[het gesprek gaat vanzelf over in het onderwerp tribute bands]

Nu is het wel een beetje treurig met de tribute cultus. Ik begrijp wel een paar redenen waarom het zo populair is, maar aan de andere kant is het ook wel een beetje triest vanwege de muzikale armoe. Kijk, iemand nadoen, iemand goednadoen… Ik denk daar helemaal niet lichtzinnig over. Ik heb zelf tenslotte tien jaar lang bij The Analogues gespeeld. Dat was een goed voorbeeld van een grote tribute band.

 

Bij The Analogues was er toevallig ook nog geld voor om de muziek op de originele instrumenten uit te voeren. Dat is een behoorlijke investering. En dan nog met zo’n enorme crew. Als we met z’n alle compleet waren, waren we met z’n zestigen. Zo veel mensen die daaraan meewerkten. En tja, dat moet je ook kunnen betalen. Je moet wel drie keer de Ziggo uitverkopen wil je gelijk draaien, of er iets aan overhouden. Het is een enorm circus, en eigenlijk veel te duur.

 

Het was creatief gezien niet echt bijzonder. De creativiteit bestond erin om het zo natuurgetrouw te reproduceren. Tijdens de concerten zelf was er geen enkele ruimte voor improvisatie. In het begin heb ik zo nu en dan ook weleens gedrumd, als Fred ziek was. Maar mijn stijl van drummen paste volgens de muzikale director niet zo goed erbij. Voor mijn gevoel probeerde ik toch wel heel erg Ringo Starr-achtig te drummen, maar daar anderen misschien beter in. Ik was te veel Leon.

 

En jij speelde ook een heel bijzonder instrument bij The Analogues, toch?

Ja, dat was in ‘Maxwell’s Silver Hammer’. Dat vond ik erg leuk, dat ik zo’n special feature kreeg. Mensen verwachten het niet dat je voor zo’n nummer ook een aambeeld van stal haalt van 80 kilo. Dat was echt een zwaar ding. Ik reed dat ding altijd zelf het podium op, dan was het nummer al begonnen. Ik wist dat ik bij het tweede couplet langzaam de bühne op moest rijden, aambeeld neerzetten, mouwen opstropen, hamer pakken en op het juiste moment slaan. Als het nummer was afgelopen, reed ik het aambeeld meestal ook zelf weer terug. Dat is één keer fout gegaan. Eén keer maar hoor. Dat was in Carré nota bene. Daar zat een hobbeltje in het zeil op de vloer. Dat ding stond op een flightcase, een vrij smalle flightcase. Ik schuif ’m langzaam die kant op, ik druk ’m door en hij flikkert om. Tachtig kilo viel in mijn richting. Ik ving ’m op, net boven mijn voeten. En in de zaal hoor ik een gil van ontzetting. Mensen zagen dat gebeuren. En ik stond zo van: help! Meteen kwamen twee crewleden me verlossen. Daarna hebben we afgesproken dat ik ’m wel zou oprijden, maar nooit meer af zou rijden.

 

Een van de hoogtepunten vond ik wel dat wij in het Palladium in Londen optraden. Daar hebben we een paar keer gestaan, drie keer of zo. Daar speelden we dat nummer ook weer. Dat was mooi, het zat daar natuurlijk vol met Britse fans. In het hol van de leeuw. Daar hebben The Beatles zelf ook gestaan. Dan komt dat aambeeld op, en dan hoor je in de zaal: ‘Oh, yeah!’ Toen kwam die verlossende eerste klap, en toen barstte er een gejuich los. Alsof er een doelpunt in Wembley was gescoord. Dat was heel leuk.

 

Hoe zou je jouw stijl van slagwerk omschrijven?

Strak en muzikaal.

 

Creatief en strak, dat sluit elkaar niet uit?

Nee, helemaal niet. Steve Gadd is zo’n drummer: strak en tegelijk ook zó creatief. Niet dat ik mezelf met hem wil vergelijken, maar hij is een voorbeeld van zo’n combinatie: strak en creatief. Dat spreekt me meer aan dan bijvoorbeeld Dave Wackl. Dat is een technisch monster, maar daar word ik niet warm of koud van. Bij hem is het bijna alleen maar techniek. Dat doet me niet zoveel.

 

Wat heeft jouw voorkeur: spelen in een stadion of in een club?

Het heeft allebei zijn charmes. Spelen in een stadion is natuurlijk te gek, maar het maakt niet zo veel uit, omdat ik in principe toch niet zo ver de zaal in kan kijken. We stonden [met The Analogues] in de Ziggo, en dan kijk je in het begin wel even de zaal in en denk je: wow, wat een mensen! Maar als je dan eenmaal zit te spelen, dan denk je daar niet meer aan, ben je daar niet meer mee bezig. Dat is in feite ook het geval in een club. Toch vind ik het wel heel leuk als mensen dicht bij mij kunnen staan en kunnen zien wat ik doe. Daarom vind ik de opstelling met Supersister zo leuk, dat ik eens een keer vooraan zit. Dan staan mensen aan de rand van het podium echt naar mij te kijken. En ook als de zaal leeg is, of halfleeg, of er zijn maar tien mensen — als zij op hun kop naar buiten gaan, dan is het doel bereikt.

 

Vanavond spelen we het laatste optreden van de Supersister-clubtour [in De Neushoorn in Leeuwarden, 16 mei 2025], en ik ga het nu al missen. Echt hoor, want het is zo’n leuke groep mensen.

 

Wat staat hierna op het programma?

Volgende week begin ik al met een Drs. P-tribute. Ja, inderdaad, een tribute. Het is duidelijk een hommage aan Drs. P. Dat wordt uitgevoerd door allerlei kleinkunstenaars, cabaretiers, Erik van Muiswinkel onder anderen. Hij is echt een kenner. Hij doet het fantastisch, kent alles uit zijn hoofd. Daarna doe ik een aantal losse dingen. Ik speel ook nog op de Parade met een feestband, dat is een jaarlijks terugkerend fenomeen. Het staat twee weken in Utrecht, twee weken in Rotterdam, twee weken in Den Haag en drie weken in Amsterdam. En dat is dan een of twee keer per week.

 

We spelen met die feestband geen bekende nummers, gelukkig, maar wel van bekende artiesten. Het is een grote band, tien man of zo, Eddy B. Wahr is daar de frontman van. Een enorme entertainer. Dat is heel leuk. We doen dat al twintig jaar, we repeteren eens per jaar, en dan gaan!

 

Schrijf je zelf ook songs?

Ja, ik heb mijn hele leven gecomponeerd, al van jongs af aan. Ook bij Powerplay heb ik nummers geschreven, samen met de bassist. In de jaren negentig heb ik in The Pilgrims gespeeld. Daar heb ik ook veel nummers voor geschreven. Nadat The Pilgrims gestopt waren, in 1997 geloof ik, ben ik wel verdergegaan met componeren. Ik speel piano en gitaar, en die instrumenten gebruik ik om te componeren. Maar ik had geen band om mijn muziek uit te voeren. Zo zijn er enorm veel nummers op de plank geraakt. Ik speel die nummers zelf, zing zelf, neem ze op. Ik ben heel goed in programmeren, dus ik kan op de computer muziek opnemen.

 

In de jaren tachtig kwam al die nieuwe elektronische apparatuur op de markt. Halverwege de jaren negentig kwam die hele dance- en trancemuziek opzetten. Ik zat toen in The Pilgrims en ik vond het zo jammer dat dat allemaal aan mij voorbijging. Het is dansmuziek, en heel erg gericht op drums. En ik dacht: wat is er nou leuker om te doen? Ik kan componeren, ik kan programmeren. En dus ben ik drumpartijen en songs gaan schrijven, technoachtige songs, en die nam ik op op tape. Ik stuurde cassettes rond naar poppodia, waar inmiddels niet alleen maar bands optraden, maar ook dj’s. ‘Kan ik bij jullie optreden?’ vroeg ik. ‘Ja, maar we hebben de livemuziek wel zo’n beetje afgeschaft.’

 

Op een gegeven moment kwam ik terecht in Nighttown in Rotterdam, op een zaterdagavond. Conferenties over nieuwe muziek, allemaal producers, dj’s. En ik speelde daar. Nog nooit zoiets meegemaakt: heel Nighttown stond te dansen. Na afloop ging ik afrekenen. Ik kwam boven op kantoor en daar kreeg ik te horen: ‘Super te gekke avond! Maar één ding: dat jij hier vanavond hebt gespeeld, heb je te danken aan het feit dat ik jouw naam zag op een cassettebandje… in de prullenbak! Want alle acts voor de zaterdagavond onder de vijfhonderd gulden gaan zó de prullenbak in. Dat kan niks wezen. Je moet echt veel meer vragen, je moet het minstens verdubbelen.’ Want ik vroeg 350, 400 gulden of zo. Dus dat heb ik gedaan. Dan werd ik gebeld en vroegen ze wat het kostte. ‘Duizend gulden.’ ‘Oké. Hoelang?’ ‘Twee keer tien minuten.’ ‘Oké.’

 

En dan zat ik in mijn eentje te drummen. Muziek erbij op DAT of minidiskrecorder. Draadje aansluiten, monitors keihard. Of daar 7/8 maten in zaten? Nee. Maar ik deed wel veel verschillende dingen. Je kunt het op YouTube checken: Proper Beatings. Ook heb ik een samenwerking gehad met Nederlands eerste technoact, Quazar. Die lijfden mij in; ik speelde in hun voorprogramma op Dance Valley, en toen vroegen ze of ik met ze mee wilde reizen. Dus ik heb ook zes of zeven keer op Dance Valley gestaan. Ook op Mysteryland, en I Love Techno in Gent.

 

Zo rond 2000, of laat ik het zo zeggen, 1997 was het einde van The Pilgrims, maar ik zat allang op te treden met al die dance dingen. Ik wilde niet meegaan in die hele drugsvibe, maar ik zat daar wel ’s nachts op plekken waarvan ik dacht: wat doe ik hier? In het begin kwam ik soms om negen uur ’s ochtends thuis. Wel met een gevulde portemonnee, maar een slopend bestaan.

 

Toen ben ik toch ook weer andere dingen erbij gaan doen. Een van de leukste dingen in die tijd vond ik met een Ierse singer-songwriter touren. Dat was weer heel wat anders, dat was heel intiem, gewoon met een snaredrum, hi-hat, bassdrum, floor tom. Die zanger heet Danny Guinan, we werken af en toe nog steeds samen. Dat was superleuk. We zijn toen in Ierland geweest om te spelen, en naar België. Maar daar zat ook één maar aan. Het was een soort cafécircuit. Daar zit ook gewoon een plafond aan qua verdiensten. Je kan wel in een café of een zaaltje optreden en de zaal op z’n kop spelen, maar je gaat maar met honderd gulden naar huis. Dan speelde ik vijfentwintig, soms dertig keer per maand, en dan had ik nog maar drieduizend gulden verdiend. Toen dacht ik: dit klopt niet, ik zie mijn eigen vrouw niet eens en ik kom met een schijntje thuis.

 

Vanaf 2003 heb ik een tijd met Freek de Jonge getourd, waar ik ook Robert Jan weer tegenkwam. Dat was heel erg leuk, theatertours. Bijzonder inspirerend. Freeks werkethos was zo intens. Dan bedacht hij binnen drie weken een heel nieuwe show. Even tussendoor repeteren en het volgende moment stonden we in Carré. Dan kwam er een tourtje door België aan, en intussen schreef hij dan ook nog een boek.

 

Vandaaruit ben ik in het theater gebleven en ging ik musicals drummen. Dat was ook leuk, omdat ik daar een creatieve vrijbrief had om de muziek zo in te vullen zoals ik dacht dat het moest. En inmiddels was ik al vrij allround geworden. Én Iers, én exploderende danceparties, of gewoon lekker rocken, of bij Freek, jazzy of whatever… Dus ik kon me heel goed conformeren aan de stijl die gevraagd werd bij zo’n productie. Een van de hoogtepunten vond ik Cabaret, de musical. Zo rond 2005 moet dat geweest zijn, toen stonden we een halfjaar in Carré.

 

Op de auditie hadden ze me een partituur voorgeschoteld. ‘Kun je lezen?’ ‘Ja,’ blufte ik. Sommige dingen kon ik wel volgen, en als ik de audio erbij had, was het gesneden koek. Maar het hele Cabaret-team kwam uit Broadway naar Nederland om die productie in een maand tijd op poten te zetten. En toen kreeg ik een heel dik boek. Noot voor noot stond alles uitgeschreven. Ik moest zo’n circusdrumstelletje hebben, je weet wel, met een koebel erop en bekkens en trommels, dat typische varieté-drumidioom. En als ik dat niet speelde, kwamen gelijk die directors naar me toe: ‘Leon, please think about the tom tom on the third bar and the second note.’ De regisseur had ons al van tevoren gewaarschuwd, dat ze in het begin misschien streng waren, maar ‘you will remember this for the rest of your life. This will be the best thing you ever did.’ En ik moet zeggen: hij zat er niet ver naast. Cabaret staat zeker in de top 10 van leukste dingen die ik ooit heb gedaan.

 

We stonden in Carré: de band, of liever: het orkest, bestond uit zeven profmuzikanten en elf amateurs, die ook af en toe in het ensemble beneden moesten dansen en zingen. En de muziek was zo geniaal geschreven. Het was de bedoeling dat wij een soort orkestje uit de jaren dertig in een Berlijnse nachtclub uitbeeldden. Het moest een beetje gammel zijn, vaudeville, Kurt Weill-achtig. Die sfeer moest het uitstralen, en dat is perfect gelukt.

 

Daarna volgden er nog meer musicals. Ik heb het drummen in musicals, denk ik, een paar jaar te lang gedaan. Zo rond 2015 was ik het wel een beetje zat met de musicals. Op een gegeven moment is ook daar het plafond bereikt. Er werd ook bezuinigd, dus in plaats van op de bühne te staan, ging je naar de orkestbak. Dat is ook leuk, maar toch ook meer een eenzaam bestaan. En dus ben ik vervolgens toch weer meer gaan freelancen.

 

Al die tijd, want zo kwam ik op dit zijpaadje, ben ik blijven componeren en opnemen, ben blijven zingen. En zo heb ik in 2018 een single uitgebracht, onder mijn eigen naam. Twee jaar daarna heb ik dat nog een keer gedaan. Maar ik vind mezelf niet goed genoeg als zanger. Wel als componist, maar niet als zanger.

 

Maar je zou dan ook jouw composities aan een door jou beoogde zanger kunnen koppelen.

Ja, maar daar was ik toch ook weer heel beperkt in. Aan wie moet ik dat dan vragen? En wie wil dat? Ik heb mijn nummers hier en daar weleens te koop aangeboden, maar dan krijg je te horen: ‘Nee, dit is niet wat we zoeken.’ Dat was dus niet zo gemakkelijk, en bovendien had ik ook geen hitstatus als componist. Maar het lot heeft net zo lang gewacht totdat ik iemand heb ontmoet, vorig jaar, een halfjaar geleden, een zangeres. Met haar ben ik nu aan het werk, en zij zingt mijn nummers als op het lijf geschreven. Ik ben er zelf zo enthousiast over geworden, dat ik denk dat dit het beste is dat ik ooit gedaan heb, de beste keuze die ik ooit gemaakt heb. Zoals zij mijn nummers zingt, zo is er geen tweede. Ze is in Amerika geboren, woont in Amsterdam: Mieke de Jongh.

 

We hebben onlangs drie nummers opgenomen in de Arnold Mühren Studio in Volendam, die zijn inmiddels afgemixt. ‘The Touch of Your Loving’, dat wordt denk ik de eerste single, Jan van der Meij speelt gitaar op dat nummer. Het is al wat ouder, ik schreef het in 2016 / 17 / 18. Dat had ik ook thuis opgenomen, ingedrumd, gezongen, koortjes gedaan. De tekst is van J.P. den Tex, singer-songwriter die heel veel teksten voor mijn nummers heeft geschreven. De andere nummers die we hebben opgenomen zijn ‘Got to Get It Out’ en ‘Make Believe Time’.

 

In de jaren tachtig heb ik het nummer ‘Avanti’ geschreven, het titelnummer van de eerste elpee van Powerplay, en dat werd toen een jaar lang coast to coast uitgezonden in Amerika, bij CBS Sports. Toen heb ik wel wat centjes verdiend. In die jaren had Hans Vermeulen van Sandy Coast een Nederlandstalige elpee uitgebracht, en daarvoor hebben Peter en ik samen het nummer ‘Voltooid Verloren Tijd’ geschreven. De Franse zanger Michel Fugain zou dat nummer gaan coveren, maar dat is niet doorgegaan omdat Peter en ik niet bij dezelfde muziekuitgeverij als Hans zaten.

 

Cesar Zuiderwijk vond het tijdens de opnamen voor Retsis Repus knap lastig om de ingewikkelde maatsoorten van de oude Supersister-muziek te spelen.

Jij lijkt daar totaal geen moeite mee te hebben?

Het is maar waar je mee opgroeit en waar je naar luistert. Kijk, ik kan wel een beetje 7/8 spelen, maar er zijn drummers uit de Balkan die dat echt fantastisch kunnen. Die spelen net zo makkelijk een 7/8 als een 11/8 maat. En zij zijn ermee opgegroeid, zij kunnen dat zo virtuoos, daar kan ik een puntje aan zuigen. Dat ga ik van mijn leven niet meer redden.

 

Welke van alle Supersister-nummers vind jij het lastigst qua slagwerk?

Dat vind ik een moeilijk te beantwoorden vraag. Ik vond het bijvoorbeeld lastig om me met Supersister en het Residentie Orkest precies aan de vorm te houden zoals het op papier staat. Als je met zo’n groot orkest samenspeelt, mag je geen fouten maken. Toch heb ik dat gedaan — een fout gemaakt. Omdat ik uit het hoofd speelde. Het gebeurde tijdens het tweede concert, in Amare. Bij het eerste, in het Paard, zat ik maar te lezen op de partituur en de hele tijd naar de dirigent te kijken. Daar heb ik geen lol aan beleefd. Dus bij het tweede concert met het orkest wilde ik alles uit het hoofd spelen. Bij de repetitie kende ik het helemaal uit het hoofd, en toch sloeg ik tijdens het optreden een passage op een bepaald punt over. Het was in ‘Pudding en Gisteren’, in een passage die wij met z’n drieën nooit gespeeld hadden. Bas en drums stoppen, het orkest gaat door, in de swing. Ik heb dat helemaal overgeslagen, ging gelijk door naar een thema dat nog moest komen. Ik zag de dirigent naar me kijken, ik zag Robert Jan kijken, en ik dacht alleen maar: o, mijn god! En dat was nou net in de bassolo van de contrabassist van het orkest.

 

Dat ingekaderd-zijn vind ik lastig. De Supersister-nummers zelf, dat is mij om het even. O ja, wel vind ik de coupletten in ‘A Girl Named You’ lastig. Niet omdat het zo’n moeilijke maatsoort is, want het is ook een 7/8, maar het is zo druk met toetsen en zang, dat ik nooit zo goed weet wat ik daar nou moet spelen om niet in de weg te zitten.

 

Terwijl wij hier op het terras zitten, wordt jouw drumstel op het podium in De Neushoorn opgebouwd voor het optreden vanavond.

Heb je een vaste drum technician?

Nee hoor. Ik stel het zo meteen zelf op. Het drumstel wordt wel uit de dozen, uit de cases gehaald, en gisteren was er toevallig iemand van het theater die me hielp bij het opstellen. Ik vind het ook helemaal niet erg om het zelf te doen. Op dit moment gaat mijn drumstel gewoon met de crew mee. Omdat het vanavond het laatste optreden van de clubtour is, neem ik het na afloop weer zelf mee naar huis.

 

Ik doe het zo al vanaf mijn zestiende. Er waren ook wel periodes dat we een crew hadden die het drumstel wel voor me opzette, en met The Analogues stond alles natuurlijk ook allemaal klaar, maar ik ben echt niet te beroerd om te slepen. Tom en Paul [Telman] helpen me overigens wel met afbreken, of wie er voorhanden is.

 

Jouw drumstel staat bij Supersister niet in het midden maar stage left.

Heeft dat invloed op jouw speelwijze?

Dat heeft beslist invloed op mijn speelwijze. Het is onlosmakelijk verbonden met het oogcontact dat wij op de bühne moeten hebben, om deze muziek tot een goed einde te kunnen brengen. Robert Jan geeft heel duidelijke cues, en wij hebben dat contact nodig. De vorm staat wel min of meer vast, maar niet heel strikt. Dat is het mooie van Supersister en muziek maken: als iemand een foutje maakt, vangen de andere twee dat onmiddellijk op. Dat bewijst hoe universeel en healing en connecting muziek eigenlijk is. Dat je muziek gezamenlijk maakt, en niet alleen. Ik moet eerlijk bekennen: sinds Powerplay in 1983 is Supersister de eerste band waarmee ik weer echt een bandjesgevoel heb. Wij tegen de rest van de wereld. Ik had niet gedacht dat ik dat nog zou meemaken.

 

Het kan ook eenzaam zijn, door het leven gaan als freelance drummer. Je speelt met van alles en iedereen, en als je me dan vraagt: wat vind je echt leuk? Dan is dit het antwoord. Ik vind op zich alles leuk, maar het allerleukst is het om met een paar mensen zo’n chemie te hebben dat alles wat je doet ook echt iets is. Oké, dat klinkt een beetje vaag… Ik bedoel, waar je ook heen gaat, het komt altijd goed. Er is op een bepaalde manier altijd een vlam in de pan. Het is nooit saai of suf. Dat heb ik al heel lang niet meer gevoeld. En dat ik dat nu wel voel, komt ook door de persoonlijkheden van Robert Jan en Rinus. Die mannen zijn door de wol geverfd, we hoeven ons tegenover elkaar niet te bewijzen, er is geen geldingsdrang. Dat is heerlijk.

 

Jouw goudgele Gretsch drumstel ging verloren in de brand van 2022, toen de oefenruimte van de Nits tot de grond afbrandde.

Pure pech dat jouw drumstel daar op dat moment stond? Ik bedoel: staat jouw drumstel normaal gesproken bij jou thuis?

Ja, dat was echt pure pech. Ik neem het normaal altijd mee naar huis. Behalve die keer. Ik speelde kort tevoren in Eindhoven [met Supersister], en ik was zo moe. Ik zei: jongens, mag het drumstel een keer met jullie mee, dan haal ik het woensdag op. Geen probleem. En toen ging maandag de telefoon: ‘Lee, slecht nieuws. De Werf staat in de fik.’ Ja, het was voor hen ook vreselijk natuurlijk.

 

Hoelang heb je dat drumstel gehad?

In de tijd van Powerplay gingen Jan van der Meij en Peter van Straten samen met onze manager naar Sint-Niklaas in België, want er was een nieuw gitaarmerk op de markt gekomen, en daar zouden zij een sponsorship voor krijgen. Ik ging gewoon mee voor de gezelligheid. Het was 1981, denk ik. Zij gingen naar die gitaren kijken, en ik liep gewoon wat rond. En toen bleek er een verdieping te zijn met alleen maar drumstellen. Niet iets kleins, maar echt een hal. Ergens op die verdieping stond dan het pronkstuk, de bewuste Gretsch. Spiksplinternieuw, vijftiendelig. Zo’n rij van toms en floors, twee bassdrums, geweldig. Ik riep mijn manager en vroeg: ‘Kun je niet eens vragen of ze ook een sponsorship voor Gretsch hebben, voor zo’n drumstel?’ Binnen een kwartier was het geregeld en mocht ik die Gretsch mee naar huis nemen. Ik had niet alles, de kleine toms sloeg ik over. Ik begon met 13 inch, 14, 15, 16, 18. En dan twee bassdrums en een snare. Wat was ik daar blij mee!

 

Ik herinner me een van de eerste Powerplay-optredens met dat drumstel. In die tijd hadden wij ook een mooi lichtplan, met een lichtman erbij, en wat we ook hadden – dat was mode, dat hadden we een beetje van de Earring gejat – was veel bommen en granaten. Ik zat in zo’n kooi van licht, met wind van boven naar beneden. Bij het laatste nummer, of misschien wel bij het eerste én het laatste nummer, gingen dan bij de eerste klap, of de laatste klap, dat kan ook, BAM!! twee magnesiumbommen aan weerszijden de lucht in. Na afloop keek ik naar mijn drumstel: het was helemaal zwart-wit geblakerd. Met dank aan de magnesium. Ik dacht: oké, het mooie is daar ook weer vanaf, en door! Dus daar hoef ik niet meer zuinig op te zijn, dacht ik nog. Nou, ik ben er wel zuinig op geweest, maar eigenlijk ook niet, want dat ding heeft zo veel meegemaakt, en uiteindelijk zie je een enorme slijtage. Maar hij ging niet minder goed klinken. Hij zag er best gehavend uit, maar hij klonk altijd subliem. En in die brand heb ik ’m dus verloren. Niet alles, moet ik erbij zeggen. Een gedeelte van die set, mijn favoriete deel, de 24 inch bassdrum, en de 13, 15 en 16 inch toms had ik mee naar het optreden, mijn mooie houten Tama snare uit de jaren tachtig ook, en die zijn dus voorgoed weg. Een kleine bassdrum en twee trommels, dat is er nog van over, dat staat thuis.

 

Even inventariseren: hoe is jouw nieuwe drumstel opgebouwd? Wat zit er allemaal op en aan? Is dat een Ludwig?

Ja, dat is een Ludwig. Na de brand is iemand een crowdfunding voor mij begonnen. De Nits waren niet verzekerd voor mij, en ik was niet verzekerd voor mijn drumstel onderweg, en uit die crowdfunding is uiteindelijk toch nog vierduizend euro voortgekomen.

 

Dekt dat bedrag de waarde van je drumstel?
Nee, maar daarmee kon ik wel een fikse aanbetaling doen. Je moet bedenken: alles was weg. De standaards, de bekkens, de rototoms. In eerste instantie ging ik op zoek naar een Gretsch, maar het model dat ik had gehad, in zeven lagen gespoten, werd niet meer gemaakt. Toen kwam ik bij Drumland terecht, in Badhoevedorp, daar hadden ze vooral jazz-uitvoeringen van Gretsch, en ik zocht juist naar de rock-uitvoering. Toen zag ik deze Ludwig in een hoek staan, een limited edition. Hij was driedelig: bassdrum, tom en floor tom, voor 3500 euro. De snare moest er nog apart bij, dat was 800 euro. Standaards, ook 1000 euro. Bekkens, ook 1000 euro. Flightcases, ook 1000 euro.

 

Een drumkruk?
300 euro.

 

Drumstokken? Ik zag dat je een hele collectie stokken hebt.

Ja, ook. Als ik ’m nu kwijt zou raken, dan zit er wel voor een 400 euro aan stokken, kwastjes en bolletjes bij.

 

Ben je nu wel verzekerd? [voorzichtig lachje]

Nee, ik ben niet voor onderweg verzekerd. Da’s veel te duur. Ik neem ’m gewoon elke keer mee naar huis, zoals ik de afgelopen vijftig jaar heb gedaan, en dan gaat het altijd goed.

 

Maar goed, ik moest ook nog rototoms kopen, 500 euro, tweedehands. Alles bij elkaar staat er toch weer voor zo’n 8000 euro. Die rototoms, dat is een oude liefde van mij. Ik probeer dat weer nieuw leven in te blazen. Mijn spel past heel goed bij die rototoms. Ik zou er eigenlijk nog meer willen. Rototoms hebben echt een eigen karakter. In de tijd van Sweet d’Buster had ik vier rototoms. Nu heb ik twee kleintjes, 12 en 14 inch. De eerste keer dat ik rototoms zag, was in 1976, bij een Surinaamse band, de Silvertone Steel Band. Hun drummer had twee rototoms. Het mooie ervan vind ik dat het feller klinkt dan normale toms. Latinachtig, Zuid-Amerikaans. Ze kunnen heel timbales-achtig klinken, zeker als je ze hoog stemt.

 

Hoe verliepen de opnamen voor het nieuwe Supersister-album Nancy Never Knew?

Namen jullie met z’n drieën in de studio min of meer live op, en werden daarna overdubs toegevoegd?

Die opnamen zijn al ontstaan tijdens repetities. Het begon in Musicon, toen we repeteerden aan de hand van telefoonopnamen van Robert Jan, muzikale ideeën die hij liet horen. Vervolgens kwam Paul Telman met zijn mobiele apparatuur en hebben we daar dingen opgenomen. Later werden die door Robert Jan uitgewerkt tot volwaardige songs. Toen hebben we dat nog een keer voor het echie in De Boerderij opgenomen, dus dat was een proces in drie gedeelten.

 

We hadden de Boerderij een middag afgehuurd. We hebben niet op de bühne gespeeld trouwens, maar in de zaal, vanwege de ambiance en omdat het beter was voor de sound. Er waren diverse manieren van aanpak. Een van die manieren, dat was wel heel leuk van Robert Jan, dat hij tegen Rinus en mij zei: ‘Kunnen jullie vijf minuten of langer één hypnotiserende, langzame rockbeat spelen, en dat volhouden tot ik zeg dat het genoeg is?’ Dus Rinus en ik speelden dat, heel monotoon, zonder fills. ‘Oké, dank je wel.’ En de volgende keer dat we dat stuk beluisterden, had Robert Jan daar ‘Out of the Darkness’ van gemaakt. Dan krijgt zo’n stuk een heel diepe lading, terwijl je niet weet wat je gespeeld hebt, dat dat toch zo mooi past bij wat hij bedacht heeft, of andersom.

 

Andere dingen gaan weer heel erg… vooraf bedacht. Bijvoorbeeld wat na ‘Out of the Darkness’ komt, ‘Into the Moving Light’. Robert Jan gaf een papiertje aan mij, zo’n klein blaadje, met daarop de akkoorden en de telling, en dat ik daarnaar zat te kijken en dacht… weet je wel… Dat nummer zit zó… dat vond ik wel even een bikkel, maar aan de andere kant: als je het gewoon in blokjes ziet — thema A, één keer een A’tje, en dan gaan we direct naar B. En dan kun je het heel goed onthouden, op een of andere manier.

 

Jouw drumsolo in ‘I Am You Are Me / Transmitter’ is inmiddels beroemd bij de fans, en wordt veelvuldig gefilmd.

Fysiek en mentaal uitdagend?

Ja, altijd. Beide. In fysiek opzicht is het zo dat ik even in een paar minuten de energie van het hele optreden moet stoppen. Moet niet, maar wil ik wel graag. En mentaal sta ik voor te maken keuzes: wat ga ik doen? Ik heb die solo een paar keer gezien op video, en bij sommige filmpjes denk: ja, dat moet ik erin houden. Of: ja! Dat wil ik ook doen.

 

Maar ik heb weleens op jouw Facebook-pagina gelezen dat je eigenlijk niet zo’n fan van drumsolo’s bent.

Nee, ik ben niet zo’n fan van drumsolo’s, maar soms moet je.

 

Hebben jullie dat zo bedacht, dat jij een drumsolo in dat nummer geeft?
Ja, Rinus heeft zijn bassolo, en toen werd er gevraagd: wil jij ook niet een drumsolo? Nou ja, ik vind het op zich wel heel leuk om iets te laten zien, en dan zeker met die 7/8, wat gebruikelijk is en mij iets makkelijker afgaat dan de meeste drummers.

 

Als ik die solo thuis zit te oefenen, kan ik ’m echt heel relaxed spelen. En tijdens een optreden krijg ik dat relaxte niet voor elkaar in die ene minuut. Maar ik zal vanavond eens poroberen om zo te beginnen. Heel relaxed. Ik moet het gewoon doen, en het durven en de rust nemen. Als ik dan bijvoorbeeld Steve Gadd zie soleren, dan vertelt hij echt een verhaal, en kan tegelijk toch ook zijn techniek laten zien. Dan denk ik: waarom kan ik dat nou niet? Dat komt omdat ik mijzelf technisch gezien nooit zo heel… Misschien komt dat omdat ik ongeschoold ben. Maar ik speel heel veel op de bluf. In de zin van, ik speel een latin beat niet zoals hij hoort. Maar het lijkt er wel op. Ik probeer het zo goed als ik kan te benaderen. Ik weet wel dat er drummers zijn die dat echt heel goed kunnen spelen. Lucas van Merwijk is bijvoorbeeld een van de Nederlandse drummers die dat tot in de puntjes beheerst. Ik zal het hem nooit na kunnen doen. Maar goed. Bij mij komt feel, groove en songs spelen op de eerste plaats. En hoe ik dat doe, met bluf of hoe dan ook, techniek mag dat nooit in de weg staan.

 

Wat is jouw mooiste ervaring in de zeven jaar dat je nu slagwerk speelt bij Supersister?

Deze laatste tour.

 

Waarom?
Omdat het zo leuk is.

 

Maar dat was het drie jaar geleden toch ook?
Ja, maar dit is de leukste.

 

Komt dat ook omdat je meer nieuw materiaal in de setlist staat?

Ja, dat zeker. En omdat we een nieuwe plaat hebben en omdat het zo goed ontvangen wordt, en omdat de zalen zo lekker vol zitten, en het publiek te gek reageert omdat ze nog nooit zo’n goeie band hebben gezien — dat hoor ik van heel veel mensen. Dus dan denk ik dat dit het wel is. Het eerste grote optreden Retsis Repus in Paradiso vond ik overigens ook erg leuk. Dat was zeker ook een hoogtepunt. Maar ik vind deze clubtour beslist ook een hoogtepunt.

 

Dus wat jou betreft komt er weer opnieuw een clubtour?

Ja, we zijn al bezig met plannen. Volgens mij in het voorjaar weer, volgend jaar. Zo rond deze tijd. Ik hoop zelfs misschien wel weer met een nieuwe plaat.

 

Tot slot: wie is jouw favoriete slagwerker aller tijden? En waarom?

En je mag er maar één noemen.

Dan denk ik Steve Gadd. En de reden waarom heb ik in het voorgaande al genoemd. Ik ben daar niet de enige in. Steve Gadd is het voorbeeld van misschien wel negentig procent van de drummers. Het is nou eenmaal zo, hij is gewoon de beste. The Greatest Of All Time. Zoals Mohammed Ali, de GOAT. Steve Gadd is daar ook eentje van. Hij is voor mij altijd een inspiratie geweest. Maakt niet uit wat hij speelt. Jazz, rock, funk, liedjes. Anything. Zijn feel is ongeëvenaard.

 

 

Leeuwarden, 16 mei 2025

 

 

Dit interview werd afgenomen enkele uren voor het laatste Supersister cluboptreden in mei 2025. De clubtour van 2026 waar Leon in het interview naar verwijst, vindt binnenkort plaats:

 

18 april 2026  Patronaat, Haarlem   

23 april 2026  Nieuwe Nor, Heerlen

3 mei 2026      Paard, Den Haag (matinee)

7 mei 2026      Oosterpoort, Groningen        

9 mei 2026      Doornroosje, Nijmegen

 

In maart 2026 verscheen het Supersister livealbum T3iO, opgenomen in het Muziekgebouw in Eindhoven op 7 mei 2022, een week voordat de Nits repetitie- en opnameruimte De Werf afbrandde. Op die liveopname speelt Leon nog op zijn oude, vertrouwde, okergele Gretsch drumstel.

 

 


‘Hanover was the first time I really felt I had found
my place in this world. I spent an entire week shooting
in wonderful outdoor locations and studios 
every day
with enthusiastic and genuine photographers.

 



This interview is also available as a photo art book!

A selection of photo journalism showcasing people in their professional reality. This booklet is devoted to Eleonora Works.

Portraits at Work (Eleonora Works) interview in English.